Taaltip: deze, die, dit of dat?

Zo zit de vork in de steel: Personen of zaken aanwijzen die dichtbij zijn – of al eerder genoemd – doe je met deze. Personen of zaken die verderaf zijn – of nog niet genoemd – met die.

Aanwijzende voornaamwoorden

Dit, dat, deze en die noemen we aanwijzende voornaamwoorden. Ze verwijzen nadrukkelijker ergens naar dan andere voornaamwoorden. Deze en die verwijzen naar enkelvoudige de-woorden en alle meervoudige woorden. Dit en dat verwijzen altijd naar enkelvoudige het-woorden. Je kan aanwijzende voornaamwoorden zelfstandig of niet-zelfstandig gebruiken:

  • Niet-zelfstandig: Deze frietjes zijn de beste van ‘t land
  • Zelfstandig: Dat is niet oké

Je kan aanwijzende voornaamwoorden vaak vervangen door een minder nadrukkelijk persoonlijk voornaamwoord: hij, ze, het, haar, hem.

Dichtbij of ver?

Met deze en dit duid je iets of iemand aan die dichtbij is. Die en dat gebruik je dan weer als je verwijst naar personen of zaken die veraf zijn:

  • Deze kleren mogen weg, maar die daar hou ik nog even bij
  • Dit is een mooiere woning dan dat bouwvallig huis aan de overkant van de straat

Terug of vooruit?

Als je terugverwijst naar iets dat of iemand die al eerder genoemd is, schrijf je die en dat. Wil je vooruit verwijzen of nieuwe informatie introduceren? Gebruik dan dit en deze:

  • Bert is gisteren gaan sporten. Dat was de eerste keer sinds zijn operatie.
  • Graag meld ik nog even dit: de les van morgen wordt afgelast wegens een treinstaking

 

Meer taalweetjes? Hou dan onze blog in de gaten.

KDV – Language & More: meer dan vertaling & copywriting!

Geef een reactie

css.php